Gemeentefondsgericht begroten

Vanzelfsprekend staat het gemeentebesturen vrij om de extra middelen naar eigen inzicht aan te wenden en in te zetten. De gemeentefondsuitkering moet gezien worden als een algemeen dekkingsmiddel en het is de gemeenteraad die uiteindelijk bepaalt hoe deze middelen worden ingezet.
Met inachtneming van die primaire bevoegdheid van de gemeenteraden is het toch goed om ons te realiseren dat een keuze voor een andere inzet van die extra middelen niet zonder consequenties zou kunnen blijven. Daarvoor is het nodig om de filosofie achter de gemeentefondsuitkering en meer in het bijzonder de werking en mogelijke consequenties van het zogenaamde periodiek onderhoud van de uitkering te kennen.
 
De belangrijkste uitgangspunten van het verdeelstelsel zijn globaliteit en kostenoriëntatie. Globaliteit omdat het gemeentefonds geen geoormerkte budgetten bevat, maar een algemene geldstroom vormt, waaraan geen bestedingsvoorwaarden zijn gesteld zoals dat bij specifieke uitkeringen wel het geval is. Kostenoriëntatie betekent dat deze globale verdeelsystematiek wel moet inspelen op verschillen in kostenstructuur tussen gemeenten. De verdeling moet zodanig zijn dat gemeenten over een gelijkwaardige voorzieningencapaciteit kunnen beschikken bij een gelijke belastingdruk. Of de voorzieningen in de gemeenten daadwerkelijk hetzelfde zijn is daarbij niet relevant: dat is een kwestie van gemeentelijk beleid. Waar het om gaat is dat de gemeenten een gelijkwaardige uitgangspositie hebben en niet vanwege bepaalde structuurkenmerken een voor- of nadeel ondervinden.
 
Onderhoudsagenda
Om deze uitgangspunten te kunnen checken wordt jaarlijks in opdracht van de beheerders van het gemeentefonds een onderhoudsagenda, uitmondend in een onderhoudsrapport voor de gemeentefondsuitkering opgesteld. De belangrijkste functie van dit POR is het bieden van inzicht in de relatie tussen de feitelijke uitgavenontwikkelingen bij de gemeenten en de veronderstelde inkomsten per cluster uit het gemeentefonds; de scan. Op basis daarvan kan worden vastgesteld in hoeverre de verdeling nog aansluit bij de werkelijke kosten.
 
Het ligt voor de hand te veronderstellen dat – nu het ministerie van BZK de uitkering ten gunste van de slappe bodemgemeenten substantieel heeft aangepast – met name het cluster wegen en water op bijzondere belangstelling in het POR mag rekenen. Zeker als we ons daarbij realiseren, dat er een motie vanuit de Tweede Kamer nodig is geweest om de compensatie in z’n huidige omvang zeker te stellen.
 
Daarom was het van belang dat gemeenten duidelijk kunnen maken dat de nu verkregen extra compensatie ook nadrukkelijk nodig is om het onderhoud van de openbare ruimte op het gewenste niveau te brengen. Met andere woorden: in de gemeentebegroting moeten de ramingen voor onderhoud zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met de veronderstelde inkomsten op dat cluster.
 
 
Team financiën
Om dit vast te kunnen stellen heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken instrumenten beschikbaar. Het team financiën van de werkgroep slappe bodem kan ondersteuning – bijvoorbeeld in de vorm van een presentatie – bieden aan gemeenten om vast te stellen hoe de begrotingssituatie in de betrokken gemeenten op dit punt is. 
 
De provincies hebben als toezichthouder op de gemeentelijke begrotingen een belangrijke rol. Het team financiën bekijkt hoe de provincies betrokken kunnen worden.